Als de baby de moeder niet kan bereiken, ontstaan er spanningen van angst en paniek bij de baby. Dit kan resulteren in traumatisering in de liefde en het ontstaat een hechtingstrauma.

Binnen een veilige hechting spiegelt de moeder precies aan haar baby wat hij voelt. De baby is in alle vezels, ook vanuit de hersenen en allerlei stofjes in zijn lichaam, gericht op contactuitwisseling met zijn moeder. Dit is al begonnen toen de baby nog in de buik van de moeder zat. Er worden continu signalen afgegeven tussen hem en zijn moeder. Alle onrust, spanningen en onvrede vanuit de baby laat de moeder via haar eigen lichaam afvloeien, zodat het in de baby weer rustig kan worden. De vader heeft hierin een belangrijke en ondersteunende rol. Hij zorgt voor de juiste voorwaarden zodat de moeder zo min mogelijk stress hoeft te ervaren en zich kan richten op de zorg voor hun kindje. De vader helpt de moeder met het laten afvloeien van de spanningen die de moeder zelf in haar lichaam opbouwt door het zorgen voor hun kindje. De baby leert hierdoor dat er na een opbouw van spanningen ook een afbouw van diezelfde spanningen plaatsvindt. Hierdoor bouwt de baby vertrouwen op en voelt hij zich geborgen in de zorg van zijn ouders.

De moeder is in staat haar baby de liefde te geven die hij nodig heeft. Liefde krijgen is:

  • Gevoed en verwarmd worden.

  • Fijn veilig lichamelijk contact krijgen.

  • Oogcontact vinden waarin jij er helemaal mag zijn.

  • Begrepen en ondersteund worden in wie jij bent.

  • Er helemaal bij horen, saamhorigheid ervaren.

Moeder en kind zijn gezond aan elkaar gehecht.

Als de liefde van de moeder niet kan stromen 

Als het uitzenden en ontvangen van signalen moeilijk verloopt verergert de nood van de baby

Als de moeder en de baby zich veilig aan elkaar kunnen hechten kunnen ze allebei goed signalen verzenden en ontvangen. Ze hebben zo een fijne contactuitwisseling dat hen wederzijds voordeel geeft en beide gerust en tevreden stelt. Dit uitzenden en ontvangen van signalen verloopt heel veel moeilijker als het de moeder niet lukt om van haar kindje te houden of als het haar niet lukt om zich emotioneel open te stellen voor het contact met haar baby. Het kan ook gebeuren dat de moeder geconfronteerd wordt met haar eigen onverwerkte trauma-gevoelens door het contact met haar baby, en dat ze de onverwerkte gevoelens door haar overlevingsdelen blijft onderdrukken, en daardoor ook haar baby, emotioneel, afwijst. Het gebeurt ook dat de moeder haar eigen innerlijke signalen niet meer verstaat, er geen raad mee weet, en hiervoor geen hulp voor zichzelf zoekt. 


Het lukt deze moeder dan vaak niet om uit zichzelf in te zien dat haar eigen verwarring de reden is dat ze ook de signalen van haar baby niet goed kan aanvoelen, en niet weet wat ze in de zorg voor haar baby moet doen. Soms heeft de moeder onvoldoende door wat haar eigen handelen en gevoelens voor effect hebben op haar baby, waardoor de baby in paniek blijft huilen. De gevoelens van machteloosheid brengt de moeder bijvoorbeeld ongewild op haar baby over, waardoor de nood van de baby alsmaar groter wordt.

De moeder heeft onverwerkte traumagevoelens die nu tussen haar en haar kindje in staan 

Het kan gebeuren dat een moeder onvoldoende contact heeft met haar, onderdrukte (trauma-), gevoelens. Vaak heeft een moeder die haar trauma’s nog niet verwerkt heeft een vader uitgekozen die haar niet goed begrijpt en haar niet goed kan ondersteunen. Vaak heeft de vader ook onverwerkte trauma’s, waardoor de vader ook niet goed voor de moeder kan zorgen. De moeder voelt en begrijpt haar eigen lichaamssignalen niet of onvoldoende, waardoor ze ook niet juist handeld in de zorg voorzelf. Daardoor is het voor haar heel moeilijk, en soms zelfs onmogelijk, om de signalen goed op te vangen van haar baby.  De moeder raakt snel overprikkeld en vindt de zorg voor haar baby overweldigend en moeilijk. De moeder kan hierdoor, emotioneel, niet de juiste zorg aan haar baby geven. Ze kan haar baby bijvoorbeeld niet rustig en tevreden krijgen, ook al heeft ze haar baby in haar armen vast. 

De baby kan zich niet niet hechten

Elke baby heeft de drang om te overleven. De baby kan zich niet niet hechten, want dan gaat hij dood. Hij is afhankelijk van zijn moeder om in leven te kunnen blijven. De grote hoeveelheid spanningen die de gevoelens van angst, paniek en nood bij de baby veroorzaken kunnen er voor zorgen dat zijn zenzuwzintuigstelsel of hart het niet langer aankan waardoor hij dreigt te sterven. Als de baby dreigt te sterven aan deze spanningen spreken we over een symbiosetrauma of hechtingstrauma. Het symbiosetrauma zorgt ervoor dat er een noodstrategie in de baby ontstaat om te kunnen overleven. De traumagevoelens van doodsangst, paniek en nood raken afgesplitst in de psyche van de baby om het leven veilig te stellen. De overlevingsdelen die ontstaan in de baby zorgen ervoor dat hij zich kan hechten aan de trauma- en overlevingsdelen van de moeder als alternatief voor de niet beschikbare gezonde emotionele delen van de moeder. Dit is een nieuwe poging van de baby om via deze delen alsnog contact te krijgen met zijn moeder, en zich aan haar te kunnen hechten om het leven veilig te stellen.

De gevolgen van het symbiosetrauma voor de baby

Extreem teruggetrokken gedrag en de neiging om de eigen gevoelens volledig op te geven

Samen met de pijn en het verdriet (traumadeel van de baby) moet de baby zijn woede (ook een traumadeel van de baby) over het emotioneel niet beschikbaar zijn van de moeder onderdrukken (overlevingsdeel van de baby). Deze overlevingsdelen ontstaan om de moeder niet uit balans te brengen, zodat er niet nog meer onveiligheid en spanningen ontstaan. Doordat de baby zich zo moet aanpassen ontstaat er extreem teruggetrokken gedrag (nog een overlevingsdeel van de baby) en de neiging om zijn eigen gevoelens volledig op te geven (nog een overlevingsdeel van de baby).  In de poging zich totaal aan de moeder aan te passen gaat de baby de overgenomen gevoelens en emoties van de moeder uiten in plaats van zijn eigen emoties (nog een overlevingsdeel van de baby). Omdat een symbiosetrauma al zo vroeg in het leven plaatsvindt, verliest de baby (bijna) het vertrouwen in zijn eigen gezonde krachten. Hij heeft geen mogelijkheid gehad om de gezonde krachten, waar hij mee geboren is, te onderzoeken, te leren kennen en als vaardigheden uit te bouwen. De baby kan daardoor ook een stuk levendigheid en nieuwsgierigheid verliezen die hij oorspronkelijk wel had.   

De baby zendt allerlei noodsignalen uit, omdat hij zijn moeder emotioneel niet kan bereiken om zich veilig aan haar te kunnen hechten. De moeder is bang voor haar eigen traumagevoelens en durft ze niet te overbruggen om zich emotioneel met haar baby te verbinden. De spanningen van angst en paniek bij de baby kan zijn hart niet langer verdragen. Hij raakt getraumatiseerd in de liefde en er ontstaat een hechtingstrauma.

Het symbiosetrauma kent specifieke kenmerken, zoals:

  1. Aanhoudend vechten om contact met de ouder(s) te krijgen.

  2. Aanhoudend zoeken naar het tevreden stellen van het verlangen om emotioneel bij de ander (surrogaat voor de moeder) aan te komen. Het verlangen dat de ander in staat is om hen zuiver te spiegelen, in hun oorspronkelijkheid en in hun oorspronkelijke gevoelens. Waardoor ze weer meer in contact kunnen komen met zichzelf, in de hoop daarmee eindelijk innerlijke rust te vinden. Dit lukt vaak niet omdat er teveel chaos en verwarring is ontstaan, doordat de overgenomen gevoelens en de eigen gevoelens door elkaar heen zijn gaan lopen. Deze chaos zorgt er voor dat ze geen inzicht kunnen krijgen in waar ze precies naar op zoek zijn. Toch blijft de drang om te zoeken hen voortdrijven.

  3. Idealiseren van de moeder en of de vader.

  4. Hetzelfde worden als - identificeren met - de overlevingsdelen van de moeder en of de vader.

  5. Hetzelfde worden als -  versmelten met - de getraumatiseerde delen van de moeder en of de vader.

  6. Verdringen en ontkennen van het eigen trauma: 'Ik heb een goede jeugd gehad'.

  7. Verdringen en ontkennen van de eigen oorspronkelijke gevoelens, omdat kwetsbaarheid en kwetsbare gevoelens chronisch als bedreigend en onveilig worden ervaren.

  8. Het hebben van een structureel te gespannen lichaam. In het lichaam hebben spanningen zich structureel opgebouwd. Er heeft chronisch onvoldoende een afbouw van spanningen plaatsgevonden. Tal van overlevingsmechanismen kunnen zorgen voor een tijdelijke opheffing van spanningen. Het jonge kind heeft al vroeg geleerd dat het contact met het eigen lichaam en de eigen gevoelens voor onhoudbare spanningen zorgde. Hierdoor is er een steeds ernstigere vorm van terugtrekken uit en afwijzen van eigen lichamelijkheid ontstaan en dit kan zich ondermeer uiten in veel soorten ziektesymptomen.

  9. Elk contact, vaak onbewust, met een ander mens en soms zelfs dier, wordt als onveilig en bedreigend ervaren, waardoor er een chronische reactie van verdediging en of opstand is ontstaan. Dit zorgt voor een dynamiek van continue overlevingsimpulsen die gericht zijn op vechten, vluchten of bevriezen.   

© 2019 Veronique van der Woude

  • Black LinkedIn Icon